Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BF1238

Datum uitspraak2008-09-17
Datum gepubliceerd2008-09-23
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers06/5266 WAJONG + 06/5376 WAJONG
Statusgepubliceerd


Indicatie

Intrekking Wajong-uitkering. Arbeidskundige component van een arbeidsongeschiktheidsbeoordeling ook in het kader van de Wajong, niet aan merken als zelfstandig deelbesluit. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag. Aangepast CBBS.


Uitspraak

06/5266 WAJONG 06/5376 WAJONG Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op de hoger beroepen van: 1. de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv) en 2. [Naam betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene), tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 16 augustus 2006, 06/1169 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: betrokkene en het Uwv. Datum uitspraak: 17 september 2008 I. PROCESVERLOOP Het Uwv heeft hoger beroep ingesteld. Dit geding is bij de Raad geregistreerd onder nummer 06/5266. Namens betrokkene heeft mr. J.L.A.M. van Os, advocaat te Tilburg, hoger beroep ingesteld. Dit geding is bij de Raad geregistreerd onder nummer 06/5376. In het geding 06/5266 heeft betrokkene een verweerschrift ingediend. In het geding 06/5376 heeft het Uwv een verweerschrift ingediend en een aantal nadere stukken ingezonden. De Raad heeft de gedingen gevoegd. Het onderzoek ter zitting in de gedingen heeft plaatsgehad op 6 augustus 2008. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door P.M.J. van der Helm. Betrokkene is met bericht vooraf niet verschenen. II. OVERWEGINGEN 1. Aan betrokkene is met ingang van 29 november 2001 een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. In het kader van een herbeoordeling heeft in 2005 medisch en arbeidskundig onderzoek plaatsgehad. Op basis van de bevindingen en conclusies uit deze onderzoeken heeft het Uwv bij besluit van 19 september 2005 de aan betrokkene toegekende Wajong-uitkering met ingang van 17 november 2005 ingetrokken op de grond dat de mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkene per die datum minder dan 25% bedroeg. 2. Bij besluit van 2 februari 2006 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv de bezwaren van betrokkene tegen het besluit van 19 september 2005 ongegrond verklaard. 3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het arbeidskundige gedeelte van het bestreden besluit vernietigd, het Uwv opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak en het bestreden besluit voor het overige in stand gelaten. Tevens heeft de rechtbank beslissingen gegeven ter zake van griffierecht en proceskosten. 4. Met verwijzing naar zijn uitspraken van 16 maart 2005, LJN: AT1852, en 23 januari 2008, LJN: BC2880, overweegt de Raad allereerst, ambtshalve, dat de arbeidskundige component van een arbeidsongeschiktheidsbeoordeling niet is aan te merken als een zelfstandig deelbesluit en een besluit tot vaststelling van het recht op een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering dan ook niet in zoverre kan worden vernietigd. Onder verwijzing naar zijn uitspraak van 13 mei 2008, LJN: BD1231, overweegt de Raad voorts dat een arbeidsongeschiktheidsbeoordeling derhalve ook niet bestaat uit onderdelen van een besluit als bedoeld in (de wetsgeschiedenis van) artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraken van 16 maart 2005 en 23 januari 2008, alsook in zijn uitspraak van 28 november 2007, LJN: BB9311, betekent dit dat voor gedeeltelijke vernietiging als de onderhavige geen plaats is. Dit geldt ook voor besluiten die een arbeidsongeschiktheidsbeoordeling inhouden op grond van de Wajong. 5. Met betrekking tot het hoger beroep van betrokkene overweegt de Raad als volgt. 5.1. De Raad volgt de rechtbank in haar oordeel dat op grond van de stukken moet worden aangenomen dat bij betrokkene niet te geringe medische beperkingen zijn vastgesteld. Betrokkene heeft haar stelling dat zij meer beperkt is dan in de Functionele Mogelijkheden Lijst is vastgelegd evenmin in hoger beroep met een medisch stuk onderbouwd. De Raad volgt de rechtbank ook in haar oordeel dat niet is gebleken van feiten en of omstandigheden op grond waarvan onzorgvuldig zou moeten worden geacht dat door de verzekeringsartsen geen nadere informatie is ingewonnen bij de behandelend sector. De Raad onderschrijft de overwegingen in de aangevallen uitspraak waarop dit oordeel van de rechtbank berust. Hieruit volgt dat de grief van betrokkene die er op neer komt dat door het achterwege laten van het inwinnen van inlichtingen de (bezwaar)verzekeringsarts de mening van de behandelend cardioloog onderbelicht heeft gelaten, faalt. De omstandigheid dat de behandelend cardioloog volgens mededeling van betrokkene haar zou hebben afgeraden te werken, maakt dat niet anders. Het is primair de taak van de verzekeringsarts vast te stellen welke medische beperkingen de verzekerde in zijn functioneren ondervindt en in welke mate verzekerde belastbaar is voor arbeid. De conclusie van de rechtbank dat de medische grondslag waarop het bestreden besluit berust kan standhouden, is naar het oordeel van de Raad juist. Voor een nader medisch onderzoek, zoals door betrokkene is verzocht, ziet de Raad dan ook geen aanleiding. 5.2. Gelet op het bovenstaande slaagt het hoger beroep van betrokkene niet. 6. Met betrekking tot het hoger beroep van het Uwv overweegt de Raad het volgende. 6.1. De rechtbank heeft, onder verwijzing naar haar uitspraak van 3 januari 2006, LJN: AU9030, overwogen dat het Uwv naar aanleiding van de uitspraken van de Raad van 9 november 2004, zie LJN: AR4716 en volgende, weliswaar aanpassingen heeft gepleegd aan het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS), maar dat niet alle aan dat systeem klevende gebreken daarmee zijn opgeheven. Naar haar oordeel zou dat wel het geval zijn als in de Functionele Mogelijkheden Lijst (of door middel van het verstrekken van een lijst) de normaalwaarden inclusief interpretatiekader van het CBBS-handboek (zoals frequentie) worden weergegeven, én indien ten aanzien van alle signaleringen wordt verklaard waarom de functie ondanks die signaleringen geschikt kan worden geacht. Nu in het voorliggende geval niet aan laatstgenoemde vereisten is voldaan, ontbeert de onderhavige schatting naar het oordeel van de rechtbank een toereikend aan te merken niveau van transparantie, verifieerbaarheid en toetsbaarheid, zodat het bestreden besluit in strijd is met artikel 3:2 en artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. 6.2. Het Uwv heeft zich in hoger beroep aanvankelijk op het standpunt gesteld dat met de aanpassingen die in het CBBS zijn aangebracht naar aanleiding van de meergenoemde uitspraken van de Raad van 9 november 2004, is voldaan aan de vereisten zoals die door de Raad zijn geformuleerd in die uitspraken. Blijkens het verhandelde ter zitting handhaaft het Uwv dat standpunt, onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 12 oktober 2006, niet langer. Het Uwv heeft, overeenkomstig de uitgangspunten die zijn geformuleerd in die uitspraak, de geschiktheid van de geduide functies in de arbeidskundige rapportage van 19 januari 2007 nog nader toegelicht. Mede gelet op die toelichting heeft de gemachtigde van het Uwv ter zitting verzocht om bij een vernietiging van het bestreden besluit de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten. 6.3. De Raad overweegt dat met de voormelde arbeidskundige rapportage van 19 januari 2007 voldoende is gemotiveerd dat de geduide functies de belastbaarheid van betrokkene niet overschrijden, zodat deze functies aan de onderhavige intrekking ten grondslag konden worden gelegd. Ten slotte wijst de Raad erop dat in zijn uitspraak van 22 februari 2008, LJN: BC4826, is geoordeeld dat de hiervoor genoemde uitspraak van de Raad van 12 oktober 2006 geen steun biedt voor het oordeel van de rechtbank dat een toereikende inzichtelijkheid en toetsbaarheid van de schatting slechts wordt bereikt als het Uwv een lijst met normaalwaarden inclusief interpretatiekader verstrekt. 7. Dit alles leidt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd voor zover daarbij het arbeidskundige gedeelte van het bestreden besluit is vernietigd, het Uwv is opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak, en het bestreden besluit voor het overige in stand is gelaten. Dit betekent dat de gegrondverklaring van het beroep en de beslissingen ter zake van griffierecht en proceskosten in stand blijven. Doende hetgeen de rechtbank voor het overige zou behoren te doen, zal de Raad vervolgens het bestreden besluit geheel vernietigen en bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit geheel in stand blijven. 8. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 322,-. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij het arbeidskundige gedeelte van het bestreden besluit is vernietigd, het Uwv is opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak, en het bestreden besluit voor het overige in stand is gelaten; Vernietigt het bestreden besluit geheel; Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven; Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 322,-. Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt als voorzitter. De beslissing is, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 17 september 2008. (get.) H. Bolt. (get.) I.R.A. van Raaij. RB